de Oude KnegtGa naar een van de andere molens: |
De oudste geschiedenis van de Oude KnegtAl in 1333 wordt er in documenten over een korenmolen te Akersloot gesproken. Lang gaat het om ´t Wapen van Akersloot, in 1817 is er pas sprake van De Oude Knegt. Het is een geschiedenis met vooral veel narigheid. De molen verwisselt dikwijls van eigenaar, is verschillende keren doelwit van oorlogsgeweld, raakt vaak ernstig in verval en blijft altijd een schip van bijleg. Ondanks alle problemen wordt de molen steeds weer opgeknapt of herbouwd. De geschiedenis van de korenmolen in Akersloot gaat dus terug tot het begin van de 14e eeuw. Heijne die Roede is dan rentmeester voor Kennemerland en West-Friesland. Bovendien getrouwd met Jutten, de dochter van Willem III, de graaf van Holland en Zeeland. Op de inventarisatielijst van bezittingen van Die Roede komt een korenmolen te Akersloot voor. Als de vrouw van Die Roede overlijdt, hertrouwt de rentmeester met Hasekine, een dochter van Willem van Assendelft. Hij schenkt haar onder meer het vruchtgebruik en het windrecht van de Akerslootse molen. Heijne de Roede, die mogelijk uit Akersloot komt, is een invloedrijk man. In 1346 koopt hij 20 weilanden op Schermereiland van keizerin Margaretha. Ook een dochter van Willem III, die trouwde met de invloedrijke keizer Lodewijk van Beieren. In 1395 duikt de naam van Die Roede weer op. Een zekere Baertrade Hughe die Roede, dochter van Heijne, krijgt het recht om te malen. Kennelijk bemoeit de familie zich nog steeds met het beheer en de exploitatie van de molen in Akersloot. Hoe het verder gaat en afloopt is in de grafelijke archieven niet terug te vinden. Pas in de 16e eeuw wordt er in de geschiedenisboeken weer over een korenmolen in Akersloot gesproken. Ten behoeve van belastingheffing laat schout Roelof Claeszn in 1514 een inventarisatie in het dorp houden. Alle bezittingen worden beschreven. Akersloot is dan 900 ´morgen´ (een wisselende landmaat) groot en telt 600 inwoners. De molenaar wordt vrijgesteld van de belastingplicht, dus moet er ook een molen staan. Uit 1553 bestaat er nog een document waaruit blijkt dat de molen in eigendom van de kerk is. Molenaar Gherijt is het gebruik gegund voor zes guldens en tien stuivers. Kennelijk zagen de edelen er geen brood meer in. Voor de kerk lag dat anders. De aanwezigheid van een gelegenheid om graan te kunnen malen was een belangrijke basisvoorziening in een dorpsgemeenschap. De lokale bakkers waren voor hun broodmeel immers aangewezen op de korenmolens.
Uit 1562 is het volgende stukje tekst gevonden:
Uit 1570 is ook nog een fragment bewaard gebleven. Daaruit kan worden opgemaakt dat de molen in bezit is van de kerk en dat de molenaar een toelage krijgt van 10 gulden. Aan het slot van de verklaring staat dat er voor de Koning niets overschiet. Die coerenmoelen mittet huys daer die moelenaer in woont comt die kerck toe. Ende die kerck moet die moelen in raeck in daeck houden. Ende die moelenaer die die moelen maelt, heeft die moelen vrij ende een vrije huyshuyer, ende heeft noch tien gulden aen ghelt. Daer gheeft die kerck vijf gulden off. Ende die ghemyent vijf gulden. Ergo alsoe daer gheen perfijt of en comt, heeft die coninck nyet. We schrijven 1572. De tijd van de Spaanse overheersing. Alva voert een waar schrikbewind in Europa. De opstandige gewesten moet een lesje worden geleerd. De bevelvoerder stuurt zijn zoon Don Frederik naar Haarlem en Alkmaar. Haarlem valt na een zwaar beleg van zeven maanden. Dan is Alkmaar aan de beurt. De stad houdt stand en als na zes weken de dijken worden doorgestoken, moeten de Spanjaarden op de vlucht voor het water. Bij Alkmaar begint de Victorie. De Spaanse troepen trekken zich al plunderend terug. Mensen worden beroofd van hun geld en waardevolle spullen. Boerderijen en woningen worden in brand gestoken. De Schermeer en de Boekelermeer zijn nog niet drooggelegd, dus de soldaten trekken over de strandwallen dwars door Akersloot. Ze laten een spoor van vernielingen achter. De mannen zijn hebzuchtig, gewelddadig en meedogenloos. Veel dorpelingen zoeken een veilig heenkomen. Als ze terugkeren treffen ze overal na-smeulende puinhopen aan. De school brandt af. Van het gemeentehuis is niets meer over. Ook de korenmolen wordt een doelwit van de brand stichtende soldaten. Een dorp kan niet zonder korenmolen, dus in 1580 besluit het lokaal gezag geld beschikbaar te stellen om de molen te kunnen herbouwen. Het geld komt van ´de kerkmeesters´, een instelling die los staat van het kerkbestuur en ook geen directie banden heeft met het gemeentebestuur. Toch doet de gemeente het onderhoud en de verhuur. Het instandhouden van een korenmolen is een terugkerend probleem voor de plaatselijke overheid. Daar is de verantwoordelijkheid voor de pacht, de verrekening van het windrecht, het vaststellen van de maalprijzen, het schoonhouden van het erf en het krozen van de sloot. Alles wordt keurig geregeld en nauwgezet bijgehouden. In 1706, pure crisistijd, komt de molen weer in particuliere handen. Abraham Bantjes betaalt de gemeente 4200 gulden voor de aankoop, te betalen in termijnen. In het voorjaar van 1714 is de schuld aan de schepenen afgelost en verkoopt Bantjes de molen met een flinke winst voor 4600 gulden aan Jacob Janszn van der Meulen. De korenmolen, genaamd ´t Wapen van Akersloot, wisselt in die tijd regelmatig van eigenaar. Hilbrandt Pieterszn uit Warmenhuizen en Claas Pieterszn Coningh uit Barsingerhorn betalen samen al weer 5050 gulden. De eerste wordt na twee jaar uitgekocht. Als diezelfde Claas ook nog garant staat voor een aankoop van een molen door zijn broer in Veenhuizen, gaat het mis. Hij komt in financiële problemen en de molen in Akersloot moet worden geveild. De molen, het huis, het erf en wat er verder bij hoort, komt voor slechts 600 gulden in handen van Pieter Claasz.-Kistemaker, meelmolenaar in Uitgeest en Huygh Adriaansz. Velsen, meelmolenaar in Heemskerk. Ze verplichten zich wel voor 4375 gulden aan schulden over te nemen. Voor vijf gulden per maand mag Claas er blijven malen. In 1737 koopt Tymon IJsbrandtsz. het deel van Huygh Adriaansz. van Velsen. Tymon IJsbrantsz. woont in Krommenie. Hij gaat de molen zelf bemalen. In 1750 verkoopt hij zijn deel weer voor hetzelfde bedrag aan Dirk Sprong, die op dat moment huurder is van de Akersloter molen. De molen is een bouwval. Wordt er gesloopt dan gaat het maalrecht naar Uitgeest. Pieter Claasz. Kistemaker was daar wel voor. Het zal hem in Uitgeest extra klandizie bezorgen. Compagnon en mede-eigenaar Sprong verzet zich. Hij wil restauratie. Maar Kistemaker wil daar niet aan meebetalen. Er komt zelfs een notaris aan te pas om uit te zoeken waartoe de twee eigenaren tot elkaar aan verplicht zijn. Sprong krijgt steun vanuit het gemeentebestuur. Akersloot wil wel garant staan voor een lening. In het algemeen belang van de plaatselijke bakkers. Kistemaker houdt het voor gezien en verkoopt in 1754 zijn deel aan Sprong. Sprong koopt er in 1782 nog een molen bij: De Krijgsman in Uitgeest. Ook de watermolen in Akersloot wordt zijn eigendom. Toch ziet Sprong geen kans er een rendabele exploitatie van te maken. In 1796 overlijdt hij met een schuld van ruim 8000 gulden. Stiefzoon Hermanus Terra neemt de boel over. Over het tijdsbestek 1792 en 1806 zijn alle officiële documenten over de besluitvorming in Akersloot zoek. Het gaat wel om een periode waarin er veel gebeurde in ons land. In 1795 kwam een einde aan de Bataafse Republiek toen de Fransen de macht over namen. Het was een fluwelen revolutie, zonder bloedvergieten. Willem V vluchtte naar Engeland. Napoleon stuurde zijn broer Lodewijk als vorst van Holland naar Haarlem toe. De verbijstering was groot in het dorp, maar de klokken werden feestelijk geluid en op de kerktoren wapperde een vlag. De dossiers tot 1799 zijn vermoedelijk verloren gegaan toen Engelse troepen in het dorp huishielden. Samen met Russische legereenheden probeerden ze hier tevergeefs de Fransen te verjagen. Voor die bloedige oorlog werden 80.000 soldaten ingezet. Zeker 20.000 mannen lieten hier in de regio het leven. Lourens Veer, schout in Akersloot, maakt een verslag van de gebeurtenissen in het dorp Akersloot. Daaruit enkele passages:
In 1810 is er weer een administratie in het dorp. De molen blijkt weer eens in particuliere handen en in vervallen staat. Een kasboek uit die tijd spreekt over terugkoop door de gemeente om de boel op te knappen. Er gaat veel geld naar de vervanging van vitale onderdelen. Honderden guldens worden geïnvesteerd in nieuwe roeden en een as. Het wordt voor het dorpsbestuur een schip van bijleg. Er is sprake van een jaarlijks tekort op de begroting, dat in 1810 oploopt tot 500 gulden per jaar. Pas in 1817 is er sprake van ´De Oude Knegt´. Dan blijkt de oude molen te worden vervangen door De Krijgsman uit Uitgeest, een oude hennenklopper die per vlet over het water naar Akersloot komt. Op de buitenkant is een bord gespijkerd waarop een krijgsman staat afgebeeld met daaronder een rijmpje. Wat de exacte tekst betreft, bestaan er twee versies. We geven ze alle twee.
Volgens pastoor Van den Berg:
Volgens boek Duizend Zaanse Molens Het verschil zit vooral in het aantal keren dat de molen zou zijn herbouwd. Twee of drie keer. De verliezen bij De Oude Knegt houden aan, dus besluit de schout in 1828 de molen per advertentie in de krant te koop aan te bieden. Er bestaat geen animo voor. De armenvoogdij is bereid tegen 5 procent rente 600 gulden te lenen voor de reparatie van de kap. Maar de vroede vaderen in vergadering bijeen besluiten anders: van de hand doen. Er hangt ook nog een wiek op half elf en de tarwesteen is aan vervanging toe. Dus wordt actief naar een liefhebber gezocht. Scheepsmaker Jan Blokker, die ook het pontje exploiteert, wil er wel 450 gulden voor betalen. De gemeente gaat akkoord. Op voorwaarde dat hij de korenmolen opknapt en tien jaar malen garandeert. De bakkers mopperen omdat ze nu voor hun meel naar Uitgeest of Limmen moeten rijden. De verkoop wordt teruggedraaid door het provinciebestuur, omdat Haarlem de zaak als een dubieus onderonsje beschouwt. Er komt een publieke verkoop met een openbare aanbesteding. Daar wordt Jan Nat uit Egmond aan den Hoef voor 485 gulden de nieuwe eigenaar. Hij laat het malen over aan een zetbaas: ene Van Heijnen. Van Heijen wordt zelf eigenaar en er volgen nog vier molenaars na hem. Eerst J.Vennik uit West Graftdijk. Dan Marinus van Zomeren. Die laat het molenaarshuis bouwen. In oktober 1882 koopt Klaas Velzeboer het. Hij was voor de nieuwbouw van de katholieke kerk als metselaarsknecht in Akersloot komen wonen. In Uitgeest dreef zijn vader een molen annex herberg. Na zijn dood bleef zoon Jan de molen exploiteren. Toen de eerste wereldoorlog uitbrak en het malen niet meer lonend was, werd de molen stilgezet. Met de komst van elektriciteit kwam helemaal een einde aan het commercieel malen op windkracht. Sinds 1917 is De Oude Knegt buiten gebruik. Gedegradeerd tot bollenschuur en goed voor de opslag van wat gereedschap. Door het gemotoriseerde vervoer was het voor de bakker geen onoverkomelijk probleem meer om voor meel naar Limmen of Uitgeest te rijden. Graan wordt dan al machinaal gemalen. De molen raakte steeds meer in verval en in 1981 zijn de restanten gesloopt. Het molenaarshuis wordt nog steeds bewoond door Jan Velzeboer, zoon van de laatste molenaar. De gegevens voor deze reconstructie zijn vooral ontleend aan een werkstuk dat Nienke Jonker maakte als leerlinge op een middelbare school en aan de geschiedschrijving van het dorp, zoals pastoor A.A. van den Berg die aan het papier toevertrouwde. De informatie over de vroegste geschiedenis is verstrekt door mevrouw Edith van der Schoor uit Hoogland, een verwoed amateur-archeoloog.
|
8-kante grondzeiler
Maalvaardig: Ja, Ook op afspraak Bouwjaar |